Vorige

Cochleaire implantatie
(Cochleaire implantatie)

Afbeelding fade

Een cochleair implantaat (CI) is een gehoorprothese die geïmplanteerd wordt in het binnenoor. Het CI stuurt spraak en omgevingsgeluiden via elektrische prikkels direct naar de gehoorzenuw. Een CI is bedoeld voor kinderen en volwassenen met zeer grote gehoorverliezen die te weinig horen met gewone hoortoestellen. Een CI bestaat uit een inwendig deel (het implantaat) en een uitwendig deel (de spraakprocessor).

meer over cochleaire implantatie

Waarom een Cochleair implantaat (CI)?

Cochleaire Implantatie wordt toegepast bij ernstige slechthorendheid en doofheid. Enkele voorbeelden:

  • Gehoorverlies kan ontdekt worden na de neonatale gehoorscreening. Deze screening vindt plaats in de eerste twee weken na de geboorte. Een niet goed (negatief) resultaat van deze screening betekent nog niet direct dat uw kind ernstig slechthorend of doof is. Vervolgonderzoek is nodig om de vermoedens te bevestigen. Als blijkt dat uw kind een ernstig gehoorverlies heeft, kan uw kind in aanmerking komen voor Cochleaire Implantatie. Een operatie is al mogelijk vanaf de leeftijd van 9 maanden.
  • Uw kind kan ernstig slechthorend of doof worden nadat het plotseling ernstig ziek is geworden en hoge koorts heeft gekregen. Dan kan er al snel besloten worden tot Cochleaire Implantatie, uiteraard nadat uw kind hersteld is van de ziekte.
  • Cochleaire Implantatie is een mogelijke optie wanneer het gehoor van uw kind, naarmate hij/zij ouder wordt geleidelijk sterk achteruit gaat (er is dan sprake van een progressief gehoorverlies).
  • U kunt ook de indruk krijgen dat het gehoor van uw kind niet goed is wanneer het ernstig verkouden is of oorpijn heeft. Dan is er meestal sprake van tijdelijk niet goed functionerende middenoren en is Cochleaire Implantatie geen optie. Het vervolgonderzoek geeft daar duidelijkheid over.

Gehooronderzoek

Als de uitslag van de neonatale screening niet goed is, of wanneer u twijfelt aan het gehoor van uw kind, wordt hij/zij verwezen naar een Audiologisch Centrum. Daar wordt onderzocht waarom  uw kind niet goed reageert op geluid. Dit Audiologisch Centrum kan  de afdeling Kind en Communicatie van het Wilhelmina Kinderziekenhuis zijn. De verwijzing naar een Audiologisch Centrum wordt gedaan door uw huisarts.

In een Audiologisch Centrum wordt vastgesteld of er sprake is van gehoorverlies bij uw kind en hoe groot dat gehoorverlies is. Meestal wordt begonnen met het aanpassen van hoortoestellen. Hoortoestellen zijn kleine apparaatjes met een microfoon, een versterker en een luidsprekertje. Het Audiologisch Centrum schrijft deze hoortoestellen voor en geeft u adviezen om uw kind eraan te laten wennen.

Gevolgen van ernstige slechthorendheid en doofheid

Wanneer uit het onderzoek in een Audiologisch Centrum blijkt dat uw kind een blijvend ernstige gehoorverlies heeft, dan heeft dat twee belangrijke gevolgen:

  • Uw kind kan niet op een normale manier gesproken taal leren en leren spreken. Versterking van geluid via hoortoestellen of cochleaire implantatie bieden dan nieuwe perspectieven. Om bij jonge kinderen de spraak- en taalontwikkeling op gang te brengen is het gebruik van gebaren noodzakelijk.
  • Er wordt direct begeleiding van het kind en ouders gestart; deze is in het begin vooral gericht op de uitbreiding van de communicatiemogelijkheden. Daarnaast is er aandacht voor het ontwikkelen van de reacties op geluid en spraak (hoorontwikkeling). Bij die begeleiding kunnen de ouders en verzorgers een actieve rol spelen.
     

Na de diagnose

Wanneer gebleken is dat uw kind een blijvend ernstig gehoorverlies heeft, wordt uw kind aangemeld bij een Dienst voor Gezinsbegeleiding aan ernstig slechthorende en dove kinderen. Deze vorm van begeleiding is opgezet om ondersteuning te bieden bij de ontwikkeling van uw kind, zowel wat betreft de ontwikkeling van communicatie en taal als de ouder-kindrelatie. Er zijn vijf Gezinsbegeleidingsdiensten, verspreid over heel Nederland. Deze bieden ook hulp bij het kiezen voor Cochleaire Implantatie.

Na de diagnose beslissen de ouders en verzorgers hun kind al dan niet aan te melden voor Cochleaire Implantatie. De contactadressen staan hieronder vermeld. Om voor een CI (op beide oren) in aanmerking te komen krijgt uw kind een aantal onderzoeken. Die hebben als doel te bepalen wat verwacht kan worden van het gebruik van een cochleair implantaat.

Resultaten van Cochleaire Implantatie

In de jaren dat Cochleaire Implantatie nu bij ernstig slechthorende en dove kinderen wordt toegepast zijn de perspectieven voor hen enorm verbeterd. Sommige kinderen slagen erin om binnen enkele jaren na implantatie een gesproken taalniveau te bereiken dat dicht in de buurt komt van de leeftijdsnorm voor normaalhorende kinderen. Andere kinderen bereiken dit niet en maken bij het communiceren hoofdzakelijk gebruik van Nederlandse Gebarentaal (NGT) en Nederland met gebaren (NmG). Voor deze verschillen zijn geen specifieke oorzaken aan te wijzen. Alle kinderen met een CI hebben in meer of mindere mate toegang tot gesproken taal (horen en spreken).

Duidelijk is geworden dat hoe jonger de kinderen ze zijn wanneer zij CI’s (beiderzijds) gaan gebruiken, hoe beter en gemakkelijker zij gesproken taal kunnen verwerven. De invoering van de neonatale gehoorscreening heeft de mogelijkheden daarvoor sterk doen toenemen.

Hoe werkt een CI?

Schematisch oversicht van het oor

In de afbeelding is een dwarsdoorsnede door het oor getekend. U ziet de gehoorgang, het trommelvlies, de middenoorbeentjes en het binnenoor (het slakkenhuis, in blauw). In het normale slakkenhuis ligt het ‘basilaire membraan’ waarop zich rijen zintuigcellen (haarcellen) bevinden.

Wanneer geluid wordt aangeboden aan het oor, bewegen deze haarcellen. Die beweging leidt tot elektrische prikkeling van de zenuwvezels. Daarbij worden de hoge tonen in een geluid aan het begin van het slakkenhuis (dicht bij het laatste gehoorbeentje) geregistreerd en lage tonen aan het eind (in de punt), dat alles op een rij.

Bij ernstige slechthorendheid en doofheid zijn de haarcellen grotendeels uitgeschakeld. De zenuwvezels, die met de haarcellen verbonden zijn, kunnen dan dus niet meer geactiveerd worden.

Tijdens de operatie wordt een ‘metalen draadje’ in het slakkenhuis geschoven, zoals in de afbeelding te zien is. Dat draadje is in feite een bundel afzonderlijke geïsoleerde metalen draadjes, de ‘elektrodenbundel’. Elke elektrode uit die bundel eindigt op een bepaalde plaats in het slakkenhuis. Bij een CI worden de zenuwvezels in het slakkenhuis in dezelfde volgorde elektrisch geprikkeld als bij het normale gehoor, alleen nu door de elektrodepunten. De uitwendig gedragen spraakprocessor zorgt ervoor dat de frequenties in de goede volgorde aankomen, maar wel gelijktijdig. De gehoorzenuw wordt bij een CI direct elektrisch gestimuleerd, zonder ‘tussenkomst’ van het middenoor en de haarcellen. De stroompjes zijn zo zwak dat je ze niet kunt voelen. Ze zijn echter wel voldoende sterk om de zenuwcellen te prikkelen en een geluidsensatie op te wekken.

  • Onderzoeken

    Aanmelding en onderzoeken

    Keuze voor een cochleair implantaat (CI)?

    Als gebleken is dat uw kind ernstig slechthorend is adviseren wij u voldoende tijd te nemen om de nieuwe situatie te verwerken en om informatie te verzamelen. Deze tijd moet soms kort zijn, wanneer de operatie haast heeft in geval van meningitis. In dit geval is er intensief overleg tussen u en de artsen over de gezondheidstoestand van uw kind.

    Na aanmelding zijn er overigens nog voldoende mogelijkheden om te bespreken wat u voor uw kind kunt verwachten. De stukjes hierna geven in het kort weer hoe u uw kind moet aanmelden en welke onderzoeken daarna gaan plaatsvinden.

    Aanmelding

    U kunt uw kind aanmelden voor Cochleaire Implantatie bij het secretariaat van de Zorggroep Cochleaire Implantatie Utrecht:

    Zorggroep Cochleaire Implantatie UMC Utrecht
    Huispostnummer F 02.504
    Postbus 85500
    3508 GA Utrecht

    Na de aanmelding ontvangt u een (digitale) vragenlijst. Zodra wij deze hebben ontvangen, vraagt de secretaresse uw gegevens op bij andere instellingen, zoals ziekenhuizen en Audiologische Centra. Vervolgens nodigt de Zorggroep u en uw kind uit voor een eerste bezoek aan ons centrum in het Wilhelmina Kinderziekenhuis. Een team van medewerkers (multidisciplinair team) gaat dan onderzoeken of uw kind in principe in aanmerking komt voor Cochleaire Implantatie.

    Vooronderzoeken

    De intake vindt plaats op 1 dag door verschillende medewerkers van de Zorggroep Cochleaire Implantatie.

    Onderzoek door de KNO-arts

    U hebt met uw kind een afspraak bij de KNO-arts. Hij/zij neemt de ingevulde vragenlijst met u door en onderzoekt uw kind om te zien of er geen - zichtbare - oorproblemen zijn. In de meeste gevallen wordt een CT-scan aangevraagd en soms ook een MRI-scan. Deze onderzoeken zijn nodig om te bepalen of een operatie technisch uitvoerbaar is. Hiervoor worden aparte afspraken gemaakt.

    Gehooronderzoek

    De audioloog beoordeelt de uitslagen van de gehooronderzoeken die al bekend zijn.Hij/zij beslist of er verder onderzoek nodig isom meer te weten te komen over de gehoordrempel. Tijdens dit verdere gehooronderzoek krijgt uw kind geluiden te horen vanuit geluidsboxen. Uw kind draagt daarbij zijn/haar eigen hoortoestellen (voor zover van toepassing).

    Jonge kinderen krijgen dierengeluiden en andere omgevingsgeluiden uit de geluidsboxen te horen. Oudere kinderen krijgen spraak aangeboden; zij moeten proberen om woorden na te spreken.
    De audiologieassistent en de logopedist observeren samen de hoorreacties van uw kind.

    Overige vooronderzoeken

    De overige vooronderzoeken zijn bedoeld om in kaart te brengen welke vaardigheden uw kind heeft om de CI’s te gaan gebruiken en welke verwachtingen de ouders daarbij hebben.
    Dit zijn:
    Vaardigheden op het gebied van communicatie: Hoe goed kan uw kind zich uiten in klanken, gebaren, spraak en taal(afhankelijk van de leeftijd) . Voor dit onderzoek heeft u een afspraak bij de logopedist/klinisch linguïst.

    Gedrag en leervermogen : Hoe goed kan uw kind zich aanpassen aan veranderende situatie en hoe is de interactie met andere mensen? Is hij/zij bereid nieuwe dingen te leren en hoe goed kan hij/zij zich concentreren?Voor dit onderzoek heeft u een afspraak bij de orthopedagoog. Daarbij is ook de maatschappelijk werker aanwezig.

    Tijdens dat laatste onderzoek is het soms goed om aandacht te geven aan het te verwachten zelfvertrouwen  en de weerbaarheid van uw kind wanneer hij/zij CI’s heeft, maar ook aan uw eigen verwachtingen wat betreft de opvoeding.

    Voorlopig advies

    De KNO-arts bespreekt met de audioloog) en het team van de Zorggroep de uitkomsten van alle onderzoeken. Daarna geeft hij/zij een voorlopig advies over een cochleair implantaat.
    Als het nodig is, worden er nieuwe afspraken gemaakt voor verder onderzoek of voor voorlichting over de keuze van het cochleair implantaat.

    Definitief advies

    Als uw kind in aanmerking komt voor CI's, komt zijn/haar naam op de opnamelijst.  Het opnamebureau van het Wilhelmina Kinderziekenhuis verzorgt dan een afspraak voor de preoperatieve screening. Deze screening houdt in dat u een gesprek hebt met een verpleegkundige en de anesthesioloog (verdovingsspecialist) over de narcose tijdens de operatie.

    Oproep voor de opname

    Ongeveer twee weken voor de opname stuurt de secretaresse van de Zorggroep u een oproep voor opname. Uw kind wordt meestal één dag voor de operatie opgenomen. U krijgt een boekje met plaatjes over de opname, zodat u uw kind kunt voorbereiden op de opnameperiode.

  • Operatie

    Operatie

    Tijdens de operatie plaatst de KNO-arts de inwendige delen van het CI. Dit zijn de elektrodenbundel en de ontvangstspoel. De elektrodenbundel wordt via een doorgang door het bot in het slakkenhuis geschoven. De ontvangstspoel (met magneet) wordt in de buitenwand van de schedel van uw kind geplaatst wordt. Die komt straks onder de huid te liggen. De operatie duurt ongeveer twee uur en gebeurt onder volledige narcose.

    Voor de operatie wordt het haar achter en boven het oor van uw kind weggeschoren om de kans op infectie zo klein mogelijk te houden. Daarna begint de operatie met een huidsnede achter/boven het oor. Van daaruit wordt in het bot achter het oor een opening geboord naar de middenoorholte toe, zodat het slakkenhuis zichtbaar wordt. Door dit gebied lopen ook de aangezichtszenuw en de smaakzenuw. In de wand van het slakkenhuis maakt de oorchirurg vervolgens een klein gaatje met een doorsnede van ongeveer een millimeter. Door dit gaatje schuift hij/zij de elektrodenbundel van het implantaat. De ‘voorgevormde’ elektrodenbundel volgt daarbij vanzelf de draaiing van het slakkenhuis, waardoor deze dicht bij de zenuw komt te liggen. Vervolgens wordt onder de huid en spieren een holte gemaakt voor het plaatsen van de ontvangstspoel. Tijdens de operatie wordt het implantaat getest zonder dat uw kind dat merkt. Na het dichthechten van de huid bestaat er een geringe kans op verschuiving van het inwendige deel van het CI.

    Het haar groeit na de operatie gewoon weer aan. Tijdens en na de operatie krijgt uw kind ook antibiotica om de infectiekans te verkleinen.

     

    Na de operatie

    De arts vertelt u na de operatie zo snel mogelijk hoe het is gegaan. Daarom vragen wij u om tijdens de operatie bereikbaar te blijven voor het personeel van het WKZ. Na de operatie brengen we uw kind naar de uitslaapkamer. Eén van de ouders /verzorgers mag bij het kind zijn als het wakker wordt op de uitslaapkamer. Als uw kind goed wakker is, brengen we hem of haar terug naar de verpleegafdeling. Op de afdeling worden pols en temperatuur van uw kind regelmatig gecontroleerd. Na de operatie heeft uw kind een infuus, waardoor het vocht krijgt toegediend.

    Uw kind krijgt antibiotica om infecties te voorkomen. Op de operatiedag krijgt uw kind de antibiotica via het infuus. Als uw kind goed heeft gegeten, gedronken, geplast en de antibiotica voor de operatiedag heeft gekregen, verwijderen we het infuus. De dagen daarna krijgt uw kind de antibiotica in tabletvorm of als drankje. De wond is verbonden met een hoofdverband. Dit verband zit strak en kan tijdelijk ongemakkelijk zijn voor uw kind. Na ongeveer een tot twee dagen wordt het verband vervangen door een kleiner verband.

    Uw kind kan een beetje duizelig zijn na de operatie. Dit gaat meestal vanzelf over. In de eerste week na de operatie mag uw kind niet douchen vanwege de kans op infecties en nabloeding. Het geopereerde oor mag niet vochtig worden. U mag de haren van uw kind pas wassen na het eerste polikliniekbezoek wat plaatsvindt na ongeveer een week.
     

  • Ontslag en nazorg

    Ontslag en nazorg

    Na de operatie

    Meestal mag uw kind een tot twee dagen na de operatie naar huis. De afdelingsarts vertelt u wat er verder gaat gebeuren. Uw huisarts krijgt een brief over de gezondheidstoestand van uw kind. Voordat uw kind met ontslag gaat maakt de verpleegkundige van de afdeling een controleafspraak bij de KNO-arts op de polikliniek.
     

    Adviezen

    Na de operatie is het heel belangrijk dat u (uw kind) de volgende adviezen opvolgt. Deze adviezen gelden voor de periode vanaf de operatie tot het eerste polikliniekbezoek:

    • Let er op dat uw kind niet peutert, wrijft of krabt aan het geopereerde oor vanwege infectiegevaar.
    • Probeer te voorkomen dat uw kind moet bukken, persen, snuiten of niezen. Dit verhoogt de druk in het hoofd van uw kind en geeft kans op nabloeden. Als uw kind toch moet niezen, probeert u dan of het dit met een open mond kan doen. Dit verlaagt de druk in het hoofd.
    • Wees alert op mogelijke evenwichtsproblemen in de eerste weken na de operatie. Let daarom - indien van toepassing - extra op bij fietsen, klimmen en klauteren en wanneer het donker is.
    • De eerste zes weken mag uw kind niet meedoen aan gymnastiek; overleg met de KNO-arts of uw kind andere sporten mag uitoefenen.

    Tijdens het eerste polikliniekbezoek kunt u met uw arts overleggen welke regels nog van toepassing blijven. U kunt dan ook vragen wanneer uw kind weer aan bepaalde activiteiten mag meedoen.

    Nazorg

    Na een week komt u met uw kind terug op de polikliniek voor een controlebezoek. De KNO-arts controleert de wondgenezing. De arts spreekt met u af wanneer de revalidatie met de CI’s  start.

  • Revalidatie

    Revalidatie

    Wanneer uw kind een cochleair implantaat heeft moet het, al dan niet opnieuw, leren horen. Uw kind moet leren om geluiden te onderscheiden, te onthouden en te herkennen. Dit vraagt tijd en begeleiding.

    Afregeling processor

    Het is allereerst belangrijk dat de spraakprocessor goed wordt ingesteld (‘afgeregeld’), zodat de geluiden zo goed mogelijk doorgegeven worden. Deze afregelingen vinden plaats in het Wilhelmina Kinderziekenhuis door een audioloog, in samenwerking met een logopedist. Tijdens de afregelingen krijgt u ook uitleg over het gebruik van de processor. De logopedist test regelmatig welke geluiden wel en niet gehoord worden.

    Hoorontwikkeling

    Daarnaast is het belangrijk dat uw kind hoortraining krijgt. Hoortraining bestaat uit een grote verzameling meer of minder speelse oefeningen om het luisteren, het imiteren van geluiden, het spreken en de taal te ontwikkelen. U speelt als ouder hierbij een heel belangrijke rol. U krijgt thuis begeleiding van speciale gezinsbegeleiders die verbonden zijn aan een Gezinsbegeleidingsdienst voor slechthorende en dove kinderen. Daarnaast krijgt u hulp van logopedisten, bijvoorbeeld vanuit speciale peutergroepen voor dove en slechthorende kinderen.

    Begeleiding

    Kinderen die een school voor regulier onderwijs bezoeken krijgen op die school extra begeleiding, meestal door ambulant begeleiders. De Zorggroep Cochleaire Implantatie streeft naar een nauwe samenwerking met ouders, gezinsbegeleiders, peuterleidsters, leerkrachten en ambulant begeleiders. Op die manier bieden wij een zo goed mogelijke ondersteuning aan u en uw kind.
     

    Gebaren

    Vroeger hadden ernstig slechthorende en dove kinderen voor het leren van een taal als vrijwel enige optie de Nederlandse gebarentaal (NGT). Tegenwoordig maken veel kinderen met CI's na verloop van tijd in meer of mindere mate gebruik van gesproken taal. Vaak combineren ze dit met gebaren (Nederlands ondersteund met Gebaren = NmG).
    Ouders stappen in deze fase vaak (wel of niet bewust) over van NGT naar NmG.
    De rol van NGT bij de opvoeding en scholing van kinderen met CI staat (wereldwijd) ter discussie.
    Wij vinden het belangrijk om bij jonge kinderen het gebruik van gebaren te stimuleren voor de communicatie en voor de taalontwikkeling. In de loop van de hoor- en taalontwikkeling zijn wij vooral ‘kindvolgend. Hoe verloopt de taalontwikkeling van het kind? Heeft het kind voorkeur voor gesproken taal of voor gebarentaal? Daarom overleggen we vaak met de ouders en met de gezinsbegeleiders over dit onderwerp.

    CI nazorg

    Kinderen met CI’s blijven voor controle en voor nazorg altijd verbonden aan de Zorggroep CI.
    Jaarlijks is er 1 tot 4 keer een afspraak met de audioloog, samen met de logopedist. Dan worden de implantaten gecontroleerd en worden de spraakprocessoren afgeregeld. De logopedist controleert na een gewijzigde instelling hoe het spraakverstaan is.

    Jaarlijks (tot 5 jaren na de plaatsing van de CI’s) is er ook een uitgebreid onderzoek door de logopedist naar de communicatie en de hoorontwikkeling. Indien mogelijk wordt ook het spraakverstaan van woorden en zinnen getest. De resultaten worden met de ouders besproken. Als het nodig is, stellen wij de uitkomsten van deze onderzoeken beschikbaar ten behoeve van extra hulp op school (Regulier Onderwijs of Speciaal Onderwijs cluster 2). Na ongeveer 5 jaar is uw kind toe aan nieuwe spraakprocessoren. De audioloog van de Zorggroep CI verzorgt de vervanging van de apparaten en vernieuwt de instellingen.

  • Mogelijke complicaties

    Mogelijke complicaties

    Zelfs als een onderzoek helemaal goed is gegaan ('volgens het boekje'), kunnen er problemen ontstaan. Zulke problemen noemen we complicaties. Ernstige complicaties komen zelden voor en als ze al voorkomen geven ze in het algemeen slechts tijdelijk problemen. Het is mogelijk dat de smaak aan de rand van de tong wat minder is aan de kant van het geopereerde oor. Ook kan uw kind direct na de operatie wat duizelig zijn of treden er veranderingen op in het oorsuizen, in positieve of negatieve zin.

    Beschadiging aangezichtsspieren

    De zenuw die de aangezichtsspieren laat bewegen, loopt vlak langs het oor en kan door de operatie beschadigd raken. Als dit gebeurt, kan de functie van de zenuw geheel of gedeeltelijk uitvallen. Dit noemen we facialis parese . Het kan dan zijn dat bij uw kind één oog niet goed sluit en dat één mondhoek naar beneden afhangt. De klachten nemen af als de functie van de zenuw terugkomt. Dit kan enkele weken tot enkele maanden duren. Bij hoge uitzondering herstelt de zenuw niet of gedeeltelijk. In dat geval kunnen we de gevolgen van deze facialis parese met een operatie verminderen.
     

    Hersenvliesontsteking (meningitis)

    Er is een bijna te verwaarlozen kans dat een hersenvliesontsteking optreedt bij kinderen en volwassenen met een CI. Als u een hersenvliesontsteking vermoedt, roep dan onmiddellijk de hulp in van een arts, zodat de behandeling zo snel mogelijk kan beginnen. Een hersenvliesontsteking kan sluipend, maar ook heel plotseling optreden. We adviseren alle patiënten die voor CI's in aanmerking komen om zich tegen alle vormen van hersenvliesontsteking te laten inenten. Ook raden we een vaccinatie aan tegen Hib (Haemophilus Influenzae type b). Hib is een bacterie en de veroorzaker van de helft van het aantal gevallen van hersenvliesontsteking. Voor de inentingen kunt u een afspraak maken bij uw huisarts.

Tips voor het gesprek

Veel mensen vinden het prettig als ze het gesprek met hun zorgverlener kunnen voorbereiden. Deze tips kunnen u daarbij helpen.

Wat moet u meenemen?

Heeft uw kind een afspraak in het WKZ of wordt uw kind opgenomen? Neem dan het volgende mee.

Voorlichting en begeleiding van uw kind

Uw kind voorbereiden

Ieder kind is anders en daarmee ook de voorbereiding. Uitgangspunt bij een goede voorbereiding is dat uw kind zich straks zoveel mogelijk op zijn gemak voelt bij ons.

Zorgverleners

In het Universitair Medisch Centrum Utrecht bestaat sinds 1980 de Zorggroep Cochleaire Implantatie Utrecht. De zorggroep behandelt kinderen en volwassenen die in aanmerking (willen) komen voor een cochleair implantaat (CI). De zorggroep bestaat uit kno-artsen, audiologen, logopedisten, maatschappelijk werkenden, een klinisch linguïst, en een orthopedagoog.

De zorggroep onderhoudt contacten met dovenorganisaties, organisaties voor slechthorenden en met instellingen in en buiten Nederland die zich bezighouden met cochleaire implantatie. Hierdoor kan de zorgverlening zo efficiënt mogelijk verlopen en optimaal aansluiten aan de behoeften van de ernstig slechthorenden. 

Op de afdeling werken de volgende zorgverleners:

Mw. Dr. A.L. Smit (KNO-arts)
Dhr. Dr. H.G.X. Thomeer (KNO-arts)
Mw dr.  L.V. Straatman (KNO-arts)
Dhr. dr. A.E. Hoetink erbij (Klinisch fysicus-audioloog)
Mw. Dr. J. Meloen (Klinisch fysicus-audioloog)
Dhr. Dr. R.A. Boerboom (Klinisch fysicus-audioloog)
Dhr. Dr. K.S. Rhebergen (Klinisch fysicus-audioloog)
Mw. Ir. H.W. Helleman (Klinisch fysicus-audioloog)
Mw. Drs. G. de Koning (Klinisch Linguïst)
Mw. Drs. A.Y.M. Groenhuis (Logopedist)
Mw. J.J.M. Smilde MSc (Logopedist)
Mw. S. Beringen-Nieuwenhuizen (Logopedist)
Dhr. M.A. van Dam (maatschappelijk werker)
Mw. Drs. I.L.M. Homveld (Orthopedagoog)
Mw. V. van den Boom (Secretaresse CI)
Mw. G.P. van de Water (Secretaresse CI)
Mw. H. Carabain (Onderhoud CI / Audiologie-assistent)
Mw. J. Tollens  (Onderhoud CI / Audiologie-assistent)
Mw. L. Mars  (Onderhoud CI / Audiologie-assistent)
Mw. R. Raadgever (Onderhoud CI / Audiologie-assistent) 

Contact en afspraak maken

Voor vragen en voor aanmelding kunt u contact opnemen met de afdeling KNO (onderdeel cochleaire implantatie) via telefoonnummer:

Ook kunt u een e-mail sturen naar:

ci@umcutrecht.nl

Adres

UMC Utrecht
Zorggroep Cochleaire Implantatie Utrecht
Heidelberglaan 100
3584 CX Utrecht

Postadres

Huispostnummer F 02.504
Postbus 85500
3508 AB Utrecht

Andere websites

  • OPCI is een samenwerkingsverband van de zes "Molen"-organisaties: de NVVS, Stichting plots- en laatdoven, FODOK, FOSS, Dovenschap en Jongerencommissie
  • FODOK is een belangenorganisatie voor ouders van dove kinderen